PAR 461 KENMERKCODE 321X

Algemene richtlijnen:

·          Bijbels: RT/CAT K26, 27, 59 ; V2, 89-92

·          Klassieke anoniemen: RT/CAT K59, 60 ; V2, 87-88, 91

Zie ook: Gedrukte Muziek, Geluidsdragers

Kmc 321X wordt gebruikt voor de uniforme titel.

Gebruik van de uniforme titel is verplicht bij bijbels en klassieke anoniemen.

Gebruik van 321X is verboden bij auteurswerken, aangezien de keuze van een uniforme titel bij een auteurswerk zo sterk afhankelijk is van de lokale catalogus dat hiervoor geen algemene richtlijn te geven is. Dergelijke uniforme titels moeten dan ook altijd op lokaal niveau worden verwerkt (kenmerkcode 346X). Hieronder valt niet de situatie van RT/CAT K27. Indien bij Bijbels of klassieke anoniemen de inleider/commentator het primaire hoofdwoord levert kan middels kmc 3211 (en kmc 3212) een verdubbeling op de tevens aanwezige, becommentarieerde tekst worden gemaakt.

Voorbeeld:

4000

Het @boek Levitikus/opnieuw uit den grondtekst vert. en verklaard door $3000

3000

A.@Noordtzij

3211

07#@Bijbel ; O.T. Lev.

Maak onderscheid tussen hoofdwoord en verdubbeling via het volgnummer:

3210 = hoofdwoord

321X = verdubbeling

Kenmerkcode 3213, 3214 enz. zijn verboden

Wanneer een publicatie 2 of 3 werken bevat die elk ontsloten moeten worden via een uniforme titel, wordt in totaal maximaal drie ingangen gemaakt: het eerste werk levert de hoofdingang via kenmerkcode 3210, de twee volgende werken leveren secundaire ingangen via kenmerkcodes 3211 en 3212.

Wanneer een publicatie meer dan drie werken bevat die ontsloten moeten worden via een uniforme titel, wordt alleen 3210 ingevuld.

De regels voor invulling van 321X worden hieronder per soort uniforme titel gegeven.

A. Bijbels en bijbelboeken

Van bijbeluitgaven wordt het woord "Bijbel" altijd, dus ongeacht de taal van de uitgave, als hoofdwoord aangenomen. Van de niet gekozen vorm wordt niet verwezen.

Voor de aanduiding van de verschillende bijbelboeken wordt het hoofdwoord gekozen op grond van appendix 3a.

Voor de groep Approciefe / Deuterocanonieke boeken wordt "Bijbel ; O.T." als hoofdwoord aangenomen.

De overige oud- en nieuwtestamentische pseudepigrafen worden beschreven als klassiek anoniem, hetgeen dus wil zeggen dat als hoofdwoord niet "Bijbel" wordt aangenomen, maar een hoofdwoord, gekozen op grond van appendix 3b.

De hoofdwoorden voor verzamelingen van bijbelboeken worden alleen gebruikt als de publicatie in kwestie alle tot de verzameling behorende bijbelboeken bevat.Is dit niet het geval dan worden aparte ingangen per bijbelboek gemaakt, tot een maximum van drie.

Zie voor overzicht van de inhoud van gebruikte namen van verzamelingen van Bijbelboeken: appendix 3c.

Wanneer niet alle in de publicatie opgenomen bijbelboeken op grond van de algemene regel van maximaal drie toegestane ingangen, via een eigen uniforme titel en/of de uniforme titel van een verzameling kunnen worden ontsloten, wordt gebruikt:

·          Ofwel: 3210 61#@Bijbel ; O.T. Overige verzamelingen

·          Ofwel: 3210 97#@Bijbel ; N.T. Overige verzamelingen

Voorbeeld:

4000

The @Holy Bible, containing the Old and New Testaments

3210

00#@Bijbel (eng)

4000

@Sefer Beresit = Liber Genesis

3210

05@#@Bijbel ; O.T. Gen. (heb/lat)

3210

@Evangelie van de Egyptenaren (ned)

B. Klassieke anoniemen

Neem de vorm over uit een (bij voorkeur Nederlandse) standaardlijst waar dit mogelijk is. Verplichte lijsten zijn:

·          Anonymous classics : a list of uniform headings for European literatures. - London : IFLA International Office for UBC, 1978. ISBN 0-903043-15-7

·          List of uniform titles for liturgical works of the Latin rites of the Catholic Church. - 2nd ed. rev. - London : IFLA International Office for UBC, 1981 ISBN 0-903043-35-1

·          Lijst van Nederlandse klassieke anoniemen (zie RT/CAT bijlage 3)

Bij klassieke anoniemen geen sorteercode gebruiken.

Voorbeeld:

4000

Den @Spyeghel der salicheyt van Elckerlyc

3210

@Elckerlyc (ned)

4000

@Jederman $ Lanseloet und Sanderein $ Mariechen von Nijmwegen

3210

@Elckerlyc (dui)

3211

@Lanseloet van Denemarken (dui)

3212

@Mariken van Nieumeghen (dui)

Aanvullende informatie bij de uniforme titel

Ter andere onderscheiding kan aan het uniforme hoofdwoord extra informatie worden toegevoegd; Invullen van de taalcode in 321X is niet altijd verplicht. Dit is noodzakelijk in verband met correcte sortering enerzijds en presentatie anderzijds. Bij publicaties die eenzelfde tekst in meerdere talen bevatten worden in 321X meerdere taalcodes ingevoerd.

Invullen van een jaartal in 321X is overbodig: in de sortering wordt altijd het jaartal uit kmc 1100 meegesorteerd.

Voorbeeld:

4000

The @Bible = De Bijbel

1500

/1eng/1dui/1ned

3210

00#@Bijbel (eng/dui/ned)

In bovenstaand voorbeeld wordt vanuit kmc 4000 niet verwezen naar de kmc's 3261 en 3262 voor de paralleltitels omdat als hoofdwoord in dit geval "Bijbel" geldt en vanuit de niet gekozen vorm niet wordt verwezen.

Voor andere soorten toevoegingen geldt dat extra informatie wordt ingevoerd, als de informatie ook daadwerkelijk ertoe bijdraagt dat het werk beter toegankelijk wordt. De groepstitel (RT/CAT) wordt nooit als extra informatie toegevoegd noch in 321X, noch ergens anders.

Voorbeeld:

3210

@Nibelungenlied (ned) $ oerversie


Gedrukte Muziek en Geluidsdragers

I.       Gebruik van de uniforme titel

Bij het catalogiseren van musicalia gelden de volgende uitgangspunten:

1.       Bij fragmenten uit het klassieke muziekrepertoire wordt alleen een uniforme titel (UFT) toegekend bij volledige fragmenten, volledige uittreksels of bij apart uitgegeven fragmenten.

2.       De UFT wordt gebruikt voor identificatie EN collocatie van muziekwerken; het invullen van de hiervoor benodigde informatie is derhalve verplicht, ongeacht de status die aan de beschrijving wordt toegekend.

Het gebruik van de UFT voor collocatie van edities per taal is echter nooit verplicht.

3.       De werklast die een correcte invulling van de UFT met zich meebrengt dient beperkt te blijven; de onderstaande richtlijnen bevatten dan ook een aantal aanwijzingen ter beperking van al te veel bibliografisch speurwerk.

Indien de UFT om enige reden niet correct kan worden ingevuld, bijv. omdat noodzakelijk bronnenmateriaal ontbreekt, wordt GEEN v-status toegekend aan de beschrijving. als de UFT later wel correct kan worden ingevuld, dient de muterende gebruiker een mail te versturen aan de instellingen met een holding bij dat PPN, vooral als de mutatie invloed heeft op de eigenlijke titel.

4.       Bij een verzameling zelfstandige werken of fragmenten waarbij het niet zinvol is om voor al deze werken of fragmenten onderdeeltitels te maken, wordt een algemene formulering gehanteerd, b.v. Werken.

Voor de functie en typebepaling van Uniforme Titels, zie: RT11, hoofdstuk IV, par. S 1-4.

Waar in de FOBID-terminologie sprake is van een "Niet Identificerende Titel" of een "Muzieksorteertitel" wordt in Pica het begrip "soortnaam" gehanteerd.

Waar in de FOBID-terminologie sprake is van een "Identificerende Titel" of een "Algemene Sorteertitel" wordt in Pica het begrip "eigennaam" gehanteerd.

II.       Invullen van de uniforme titel

Voor het invullen van de uniforme titel in de daarvoor bestemde kmc 321X, wordt onderscheid gemaakt tussen de eigenlijke titel en toevoegingen bij die titel.

A.       De titel

Maak onderscheid tussen soortnamen (bijv. 'concert') en eigennamen (bijv. 'War Requiem'). Voor het vaststellen van dit onderscheid wordt gebruik gemaakt van de lijst van soortnamen in Instrumenten, instrumentgroepen, orkesten, stemsoorten en Muziekvormen. Alle namen die niet voorkomen in de lijst van soortnamen worden als eigennaam verwerkt.

Bronnenmateriaal bij eigennamen: zie onder.

Titels die bestaan uit een combinatie van twee of meer soortnamen die door het voegwoord "en" (of een equivalent daarvan in een andere taal) met elkaar verbonden zijn, worden als soortnaam beschouwd en vertaald in het Nederlands, b.v.:

Preludium en fuga

Niet:

Präludium und Fuge

Titels die bestaan uit een combinatie van twee of meer soortnamen die op andere wijze met elkaar verbonden zijn worden als eigenamen beschouwd, b.v.:

Variationen mit einer Fuge

Wanneer muziekwerken van componisten die niet voorkomen op de Pica-lijst van thematische catalogi in de New Grove worden vertaald in het Engels, dan worden de titels van deze muziekwerken beschouwd als soortnamen.

Wanneer bijvoorbeeld New Grove vermeldt bij C. Saint-Saëns "Variations on a theme of Beethoven" dab wordt de uniforme titel:

Variaties/2piano's [2]/3op.35 "Beethoven variaties"

Een werk met een eigennaam dat deel uitmaakt van een genummerde reeks soortnamen van eenzelfde componist, wordt behandeld als een werk met een soortnaam, bijv.:

Prokofjev, S.

3210

@Symfonie/2orkest/3nr.1, op.25/4D gr.t.

4000

@Symfonie classique : op. 25

In de uniforme titel-thesaurus wordt in dit soort gevallen ook een titelvariant opgenomen:

290

@Symfonie classique

Indien oorspronkelijke titels (b.v. bij werken van componisten uit Oost-Europese of Scandinavische landen) identificatieproblemen veroorzaken, moet voor gebruik in de UFT gekozen kunnen worden voor een meer algemeen bekende naamsvorm.

Zie voor de behandeling van enkele speciale gevallen van soort- en eigennamen (o.a. de Bachkantates): aanvullende afspraken (onder),

BIJNAMEN: zie bij onderdeel /4 van kmc 321X

·          Soortnamen

Wanneer de sorteertitel betrekking heeft op één compositie wordt de enkelvoudsvorm toegepast. Indien de sorteertitel betrekking heeft op meer dan één compositie met dezelfde soortnaam dan wordt de meervoudsvorm toegepast.

Voor soortnamen geldt de lijst van soortnamen in Instrumenten, instrumentgroepen, orkesten, stemsoorten en Muziekvormen als enige bron. De lijst geeft tevens de vorm waarin de soortnaam moet worden ingevuld in kmc 321X, i.e. de Nederlandse benaming in enkel- en meervoudsvorm.

Bij soortnamen is het invullen van nadere gegevens verplicht.

Bij soortnamen worden telwoorden NIET in de uniforme titel opgenomen.

·          Eigennamen

De grondslag voor de eigennaam is:

o         de oorspronkelijke titel, of

o         de vorm uit een (inter)nationale lijst of

o         een meer algemeen bekende vorm

Geldend in die volgorde voor de west-europese talen: Frans, Duits, Engels, Spaans, Italiaans, Latijn en Nederlands

maar:

o         de Nederlandse vorm, of

o         een algemeen gangbare vertaling van de oorspr. titel,

o         de oorspronkelijke titel

Geldend in die volgorde voor andere dan bovengenoemde talen. Bijv.:

3210

@Letzter Frühling

Bij eigennamen worden telwoorden die een onlosmakelijk onderdeel vormen van de eigennaam WEL opgenomen in de uniforme titel, en verder ook behandeld als relevant titelwoord.

Voorbeeld:

3210

The @ten commandments

Het invullen van verdere toevoegingen is alleen toegestaan indien 2 of meer vormen van gekozen UFT''s identiek zijn. Vul de eigennaam in dat geval aan met ofwel

a.       de bezetting, of

b.       een soortnaam

Als ook het toevoegen van bezetting of soortnaam niet voldoende onderscheid oplevert, kan verder worden aangevuld met informatie in de overige onderdelen van kmc 321X (voorbeeld b).

Voorbeelden:

a

3210

@Images/2orkest

3210

@Images/2piano

b

3210

@Tu es Petrus : mis

3210

@Tu es Petrus : motet/3nr. 1

3210

@Tu es Petrus : motet/3nr. 2

3210

@Ich hatte viel Bekummernis : kantate

Bij alternatieve of andere titels wordt gerkozen voor de meest bekende, of bij gelijkwaardigheid, de eerste titel.

Bij titels die zowel een eigennaam als een soortnaam bevatten (bijv. Bachkantates), wordt een extra ingang toegevoegd op soortnaam im kmc 326X, bijv.:

3210

@Sie werden aus Saba alle kommen/3BMV.65

3261

<10>@Cantate BMV 65 "Sie werden aus Saba alle kommen"

Indien aanwezig altijd het bibliografisch nummer opnemen in de uniforme titel.

Als BRONNENMATERIAAL voor vaststelling van de uniforme titel bij eigennamen worden de volgende thematische catalogi aanbevolen:

componist

bron

Bach, J.S.

Schmieder

Beethoven, L. van

Kinsky

Brahms, J.

McCorkle

Buxtehude, D.

Karstädt

Chopin, F.

Kobylanska

Dvorák, A.

Burghauser

Händel, G.F.

Händel Handbuch

Haydn, J.

Hoboken

Liszt, F.

Raabe voor het vaststellen van de oorspronkelijke titel;

Searle voor het bibliografisch nummer zoals opgenomen in de New Grove

Mozart, W.A.

Köchel

Scarlatti, D.

Kirkpatrick

Schubert, F.

Deutsch

Schumann, R.

Hofman/Tiel

Telemann, G.F.

Ruhnke

Tchaikovsky, P.I.

Systematische Verzeichnis

Vivaldi, A.

Ryom (de "grote" Ryom)

Voor werken van andere componisten wordt New Grove als bron gebruikt. Riemann en MGG zijn facultatief.

Als deze bronnen niet voorhanden zijn, mag wel een uniforme titel worden ingevuld, maar wordt geen v-status toegekend aan de titel.

Wanneer het bij muziekwerken van bepaalde componisten een vast gebruik is om rangnummers te vermelden terwijl deze rangnummers niet voorkomen in de voorgeschreven bronnen, dan geldt als aanvullende regel dat in deze gevallen toch rangnummers worden opgenomen in de uniforme titel. Als bron voor deze rangnummers wordt voor Gedrukte Muziek en Geluidsdragers de Gramophone gehanteerd.

Als hulpmiddel voor andere gebruikers wordt de bron die is gebruikt voor het bepalen van de uniforme titel, indien die bron niet behoort tot de hierboven genoemde werken, vermeld in het commentaarveld bij de naam van de componist in de persoonsnamenthesaurus, of indien niet gethesaureerd, in kmc 4700.

B.      Toevoegingen bij de titel

1.       algemene regels

De eigenlijke titel kan worden aangevuld met de volgende informatie:

onderdeel

functie

aanwijzingen

/2

bezetting

zie onder

/3

rangnr.

met standaardtekst 'nr.'

opus nr.

met standaardtekst 'op.'

bibl.nr.

zonder standaardtekst

/4

toonsoort

hoofd/kleine letter gevolgd door "gr.t." of "kl.t.", eventueel gevolgd door de bijnaam tussen " "

" "

bijnaam

bijnaam tussen " "

/5

extra info

zie onder

_;_

deelinfo

alle informatie betreffende het onderdeel OF de afkorting "Sel."

_$_

stemsoort

de stemsoort- of ligging tussen [ ]

een der afkortingen "Arr.", "Dir." of "Pu."

Bij onderdelen die kunnen bestaan uit meer dan 1 element (bijv. onderdeel /3) geldt: de elementen invoeren in de aangegeven volgorde en onderling gescheiden door komma spatie (,_).

Per onderdeel gelden de volgende invoerafspraken:

/2

altijd verplicht bij soortnamen

/3

afgesproken (inhoud min. 1 nummer)

/4

afgesproken

De overige onderdelen zijn alleen verplicht voor zover de invulling noodzakelijk is voor identifikatie van een werk.

De onderdelen /3 en /4 dienen zoveel mogelijk te worden ingevuld, ongeacht de status van de beschrijving, maar uiteraard alleen voor zover van toepassing op het werk.

2.       regels voor onderdelen /3 tot _$_

onderdeel /3

Bij de rang-, opus- en bibliografische nummers wordt tussen de nummer-, opus- en bibliografische aanduiding en het nummer geen spatie ingevuld, maar in plaats daarvan achter elke bibliografische afkorting een punt geplaatst. In bibliografische afkortingen worden géén punten geplaatst.

In onderdeel /3 wordt het bibliografisch nummer opgenomen conform de voorgeschreven bibliografische bronnen.

Het opusnummer wordt genegeerd indien het bibliografisch nummer is opgenomen.

Het opusnummer en een nummering binnen het opusnummer worden opgenomen conform de voorgeschreven bibliografische bron, tenzij reeds het bibliografisch nummer is opgenomen, bijv.

Trio/2piano, viool, altviool/3op.1, nr.1

Het kan voorkomen dat meerdere bronnen onderling verschillende nummeringen opgeven. Laat in dat geval de nummering weg. De nummering wordt alleen opgenomen als de bronnen onderling overeenstemmen.

onderdeel /4

In dit onderdeel wordt de toonsoort opgenomen.

onderdeel " " bijnaam

BIJNAMEN worden in onderdeel " " opgenomen in de uniforme titel. Zie voor de vorm van een aantal gangbare bijnamen: Instrumenten, instrumentgroepen, orkesten, stemsoorten en Muziekvormen.

Voorbeeld:

3210

@Sonate/2piano/3nr. 23, op. 57/4f kl.t. "Appassionata"

onderdeel /5

Als de informatie in de onderdelen /2, /3 en /4 niet toereikend is voor de identificatie van het werk, of als deze informatie ontbreekt, noteer dan in /5 aanvullende identificerende gegevens, zoals jaartal van compositie of eerste publicatie, de plaats van compositie, naam van de eerste uitgever etc.

onderdeel _;_ deelinfo

onderdeel _$_ stemsoort, Arr. Dir. Pu.

3.       Bezetting

De bezetting wordt conform de lijst van instrumentennamen in Instrumenten, instrumentgroepen, orkesten, stemsoorten en Muziekvormen ingevuld. Opmerkingen bij deze lijst:

­         aanduidingen voor de stemming van een instrument worden niet opgenomen. Dus niet "es-klarinet" maar "klarinet".

­         evenzo vervallen aanduidingen als "alt", "tenor" etc. bij namen van instrumenten. Dus niet "altblokfluit" maar "blokfluit". Uitgezonderd althobo, altviool, basklarinet en basgitaar.

­         bij werken geschreven voor een niet specifiek aangegeven instrument, of werken waar een keuze wordt gelaten uit enkele specifiek aangegeven instrumenten, wordt als standaardtekst "-instrument" gebruikt, waarbij op de plaats van het streepje wordt ingevuld: "toets-", "melodie-", of "bas-" afhankelijk van de situatie.

De aanduiding toetsinstrument wordt opgenomen bij werken voor een niet specifiek aangegeven toetsinstrument, of bij werken waar door de componist de keuze wordt gelaten uit verschillende specifiek aangegeven toetsinstrumenten.

De aanduiding "b.c." wordt opgenomen voor het begrip bekend onder de diverse benamingen als "basso continuo", "generale bas", "becijferde bas", "thorough bass", enz.

Voor geluidsdragers geldt dat bij werken met een alternatieve bezetting gecatalogiseerd wordt op de aangetroffen bezetting.

Als de instrumentensoort in het geheel niet is aangegeven, wordt als bezetting ingevuld: "instrumenten" gevolgd door het aantal tussen [ ]

­         in voorkomende gevallen dient bij toetsinstrumenten aangegeven te worden welke de bedoelde speelwijze is, bijv.:

piano 1h

= 1 piano, 1 hand

piano 4h

= 1 piano, 4 handen

piano's [2] 8h

= 2 piano's, 8 handen

-           Voor het opnemen in de titelbeschrijvingen van alternatieve bezettingen bestaan in Pica-verband duidelijke afspraken voor zover het de uniforme titel betreft.

In kmc 4209 worden bij alternatieve bezettingen na het eerstgenoemde instrument de overige instrumenten opgenomen tussen ronde haken, als volgt:

4000

@Adagio für Violine (Oboe/Flöte) und Klavier

4209

Voor viool (hobo, fluit) en piano

-           kmc 4209 wordt ook gebruikt wanneer uit de beschrijving op algemeen niveau onvoldoende blijkt wat de bezetting is van een muziekwerk. Onduidelijkheid over de bezetting (of stemligging van instrumenten) kan ontstaan wanneer de bron van beschrijving onvoldoende informatie hierover geeft of wanneer deze niet past binnen de 5 elementen van het bezettingsveld van de uniforme titel.

Voorbeelden:

3000

Randy@Newman

4000

@Land of dreams /$3000

4209

Voor zang en piano met gitaarakkoorden

3000

Jan/van@Vlijmen

4000

@Nonet : 1985 / $3000

3210

@Nonet/2piano, houtblazers [3], strijkers [5]

4209

Voor piano, fluit, klarinet, basklarinet, 2 violen, altviool, cello en contrabas

4209

Voor viool (hobo, fluit) en piano

In principe wordt altijd de OORSPRONKELIJKE BEZETTING ingevuld. Voor het vaststellen van de oorspronkelijke bezetting wordt zoveel mogelijk uitgegaan van de bron die gebruikt wordt voor het bepalen van de uniforme titel; zie boven bij eigennamen.

Voor geluidsdragers geldt echter een beperking: als de oorspronkelijke bezetting niet direct kan worden afgeleid uit de informatie die het document verschaft, wordt als bron New Grove geraadpleegd; als ook New Grove geen uitsluitsel geeft, wordt de bezetting van het document ingevuld.

De bezetting wordt NIET ingevuld bij:

­         documenten bestaande uit een verzameling composities voor verschillende bezettingen

­         werken met variabele bezetting; uitgezonderd werken met alternatieve bezetting waarbij de eerstgenoemde bezetting vermeld wordt.

In onderdeel /2 worden niet meer dan 5 "elementen", i.e. namen van afzonderlijke instrumenten of stemmen, namen van groepen van instrumenten of stemmen etc., ingevuld.

Bezettingsversies:

verschillende versies van eenzelfde werk van dezelfde componist worden over het algemeen behandeld als zelfstandige werken met eigen beschrijving. Achter de term "Arr." wordt niet de bezetting vermeld waarvoor de bewerking is gemaakt, daar dit al opgemaakt kan worden uit de beschrijving zelf.

De elementen van de bezetting worden opgenomen in de volgorde:

1.       zangstemmen

2.       soloinstrument met een toetsinstrument

3.       toetsinstrumenten, in combinatie met 2 of meer instrumenten die geen toetsinstrument zijn

4.       overige instrumenten in volgorde hout - koper - tokkel - strijkers - slagwerk

Voorbeeld:

solo-instrument in combinatie met toetsinstrument:

3210

@Sonates/2viool, piano

solo-instrument in combinatie met orkest:

3210

@Concerten/2viool, cello, orkest

Voor verschillende soorten bezettingen gelden afzonderlijke richtlijnen:

A.       Instrumentale werken, enkelvoudige bezetting

De bezetting wordt, voor zover mogelijk binnen 5 elementen volledig uitgeschreven. Meerdere instrumenten van dezelfde soort worden als 1 element ingevuld, met na de naam van het instrument het aantal voorafgegaan door spatie [ en afgesloten met ]

dus: fluiten_[2]

B.      Groepen Instrumenten

Indien een bezetting niet in 5 elementen kan worden weergegeven, worden instrumenten als groepen benoemd. Hiervoor worden de volgende aanduidingen gebruikt:

houtblazers

koperblazers

blazers

slagwerk

tokkelinstrumenten

toetsinstrumenten

strijkers

electr. instrumenten

instrumentaal ensemble

De term "instrumentaal ensemble" wordt gebruikt bij een bezetting met instrumenten uit 6 of meer van de bovenstaande groepen.

Voor zover de ruime (max. 5 elementen) dit toelaat, worden de groepen afzonderlijk genoemd. Dus:

houtblazers [2], koperblazers [2]

i.p.v.

blazers [4]

Standaardbezettingen, zoals bijv. "strijkkwartet", worden niet gebruikt.

Voorbeelden:

3210

@Kwartetten/2violen [2], altviool, cello

3210

@Kwintetten/2fluit, hobo, klarinet, hoorn, fagot

3210

@Nonetten/2houtblazers [4], trompet, strijkers [4]

Indien een aantal instrumenten is gebonden aan een minimum en een maximum, wordt na de instrumentnaam het minimum en maximum aantal opgenomen, bijv.: piano's [2-4]

C.      Instrumentale werken, meervoudige bezetting

De bezetting wordt ingevuld met een van de volgende termen:

strijkorkest

blaasorkest

harmonieorkest

fanfareorkest

schoolorkest

brassband

big band

jazzorkest

orkest (i.e. symfonieorkest, klein orkest, kamerorkest etc.)

dixielandorkest

Bij werken geschreven voor orkest en basso continuo, wordt de basso continuo als onderdeel van het orkest beschouwd en derhalve niet afzonderlijk in de bezetting opgenomen.

D.      Instrumentale werken, soloinstrument + begeleiding

In dit geval wordt de bezetting ingevuld op basis van de onder A en B gegeven regels en termen.

Voorbeelden:

3210

@Concerten/2piano, orkest

3210

@Divertimento's/2klarinetten [2], strijkorkest

E.      Vokale werken, met of zonder instrumentale begeleiding

I.       solostem

Aangezien dit soort werken veelal wordt uitgegeven in verschillende stemsoorten en stemliggingen, wordt de neutrale term "zangstem" of "zangstemmen" gebruikt, gevolgd door de evt. begeleiding.

De stemsoort of stemligging wordt bij geluidsdragers NIET vermeld. Voor gedrukte muziek geldt: de stemsoort of stemligging wordt, indien het document deze informatie vermeldt, opgenomen in het laatste onderdeel (maar vóór een der afkortingen Arr, Dir of Pu) van de uniforme titel. Zie de lijst van standaardtermen voor stemsoorten onder punt 2.

Deze regel geldt voor werken met soortnaam en eigennaam.

Voorbeeld:

3210

@Liederen/2zangstem, piano ; Sel., $ [sopraan]

3210

@Kindertotenlieder $ [bariton], Pu

II.       Twee of meer solostemmen, met of zonder koor, OF 1 solostem mét koor

Vermeld de stemsoorten afzonderlijk, volgens de onderstaande lijst, gevolgd door de kooraanduiding.

Lijst van stemsoorten:

alt

bariton

bas

counter tenor (ook te gebruiken voor haute-contre)

declamator

mezzo-sopraan

sopraan

spreekstem

tenor

Stemligging wordt aangegeven met:

hoge stem

middenstem

lage stem

Analoog aan de regels voor de bezetting bij instrumentale muziek, worden algemenere termen gebruikt indien de opsomming van de afzonderlijke elementen (max. 5) te lang zou worden:

mannenstem(men)

vrouwenstem(men)

kinderstem(men)

zangstem(men) (gemengde stemmin in combinatie zonder koor)

soli (gemengde stemmen in combinatie met koor)

Als kooraanduiding worden de volgende termen gebruikt:

gemend koor

mannenkoor

vrouwenkoor

kinderkoor

jongenskoor

kamerkoor

spreekkoor

meisjeskoor

Het aantal stemmen wordt bij geluidsdragers en bij Gedrukte Muziek vermeld na de kooraanduiding tussen [ ] indien het een ander aantal dan 4 stemmen betreft.

Bij unisono koor wordt dan '[1 st.]' vermeld.

Voorbeelden:

3210

@Liederen/2bas, vrouwenkoor [3 st.], hoorns [2], harp

3210

@Missen/2soli [5], gemengd koor, orkest

3210

@Liederen/2kinderkoor [2 st.], piano

bij dubbelkorigheid:

3210

@Mis/2gemengd koor [4+4 st.]

maar bij variabel aantal stemmen:

3210

@Mis/2gemengd koor [2-3 st.]

F.       Werken, alleen aantal uitvoerenden bekend

Bij werken (Renaissance) die bedoeld zijn om te worden uitgevoerd door een bepaald aantal vocalisten en/of instrumentalisten, wordt als bezetting ingevuld "stemmen", gevolgd door het aantal tussen [ ]

Voorbeeld:

3210

@Canzonetta's/2stemmen [3-5]

III.       Schetsen

De behandeling van schetsen vindt plaats overeenkomstig RT11, hfd.4, par. S48

IV.       Arrangementen

De behandeling van arrangementen vindt plaats overeenkomstig RT11, hfd.4, par. S49-53

V.       Fragmenten uit één werk

De behandeling van fragmenten uit één werk vindt plaats overeenkomstig RT11, hfd.4, par. S56-66

VI.       Selecties

De behandeling van selecties vindt plaats overeenkomstig RT11, hfd.4, par. S69-77

N.B.

Voor punt G t/m J geldt dat wanneer Pica en FOBID elkaar op het gebied van regelgeving tegenspreken, zoals bijvoorbeeld bij de keuze soortnaam-eigennaam of enkelvoud-meervoud bij soortnamen, dienen zoveel mogelijk de Pica richtlijnen gevolgd te worden.

TERUG

Laatste bewerkingsdatum: 24-08-2001